donderdag 1 september 2016

Uit het nest gevallen

Dolgelukkig was ik, in blijde verwachting van ons tweede kindje en ik voelde me top.

Ik was tien weken zwanger toen ik tijdens het toiletbezoek voor het slapen gaan wat donkergekleurde afscheiding ontdekte. Ik had geen reden om me zorgen te maken en was het voorval dan ook al helemaal vergeten totdat ik de volgende dag opnieuw wat afscheiding in mijn ondergoed zag. Dit keer was het duidelijk met bloed vermengd en dat zat me toch niet lekker. Ik besloot de huisarts te bellen zodat hij me gerust kon stellen. ‘Bloedverlies in het eerste trimester van de zwangerschap leidt in 50% van de gevallen tot een miskraam’ was zijn tekst. Het voelde alsof ik door de bliksem werd getroffen. Wat een l*l, ik kon hem wel slaan. Vanaf toen zat de schrik er goed in.
De volgende dag ging ik bij een nichtje op de koffie. Eigenlijk had het een leuke visite moeten worden waarin ik zou vertellen dat ik zwanger was maar nu hield ik mijn mond. Omdat ik geen zin had om geconfronteerd te worden met nog meer bloedverlies besloot ik niet meer naar toilet te gaan. Eenmaal thuis moest ik natuurlijk toch en het bloedverlies bleek nog erger. Ook had ik ondertussen een akelig gespannen gevoel in mijn buik maar dat wijdde ik aan de zenuwen. Dat het misschien wel helemaal mis zou gaan met deze zwangerschap was voor mij nog steeds ondenkbaar.
De volgende ochtend werd ik heel vroeg wakker en ben ik naar de wc gerend. Ik bloedde enorm en verloor grote stolsels. Terwijl ik op het toilet zat kon ik niet meer voor mezelf verbergen waar ik diep in mijn hart zo bang voor was, dit ging helemaal fout. Mijn ver verstopte angst was werkelijkheid geworden. Hoe graag ik ook wilde dat het bloeden en de pijn stopte, ik had er geen controle over. Mijn lichaam liet me compleet in de steek, ik heb me zelden zo machteloos gevoeld.
Dit zo ontzettend gewenste cadeautje, deze zoete droom werd me nu bruut afgenomen.
Een hele poos heb ik op de badkamervloer zitten huilen. Pas veel later heb ik mijn echtgenoot wakker gemaakt.  
Tien dagen later moest ik voor controle naar de huisarts en zat ik stoer te vertellen dat het goed met me ging. Ik vond zelf dat ik wel genoeg had getreurd en wilde weer verder. In de praktijk bleek dat echter niet zo eenvoudig. Ik ben nog zeker zo’n maand of vier flink verdrietig geweest. Mijn gedachte omzetten en gewoon vrolijk zijn bleek veel moeilijker dan ik dacht. Ook vond ik het erg lastig de uitgerekende datum uit mijn hoofd te krijgen en was ik jaloers op iedereen die zwanger was of een baby kreeg. Het voelde zo oneerlijk.
Uiteindelijk werd ruim een jaar later mijn dochtertje geboren. Ik heb vaak aan het voeteinde van haar wiegje naar haar staan kijken en gedacht: daar ligt ze dan, de baby die ik zo heb gewenst en waarom ik zoveel tranen heb gelaten.

zondag 29 mei 2016

Het jaloerse duiveltje

Na het vorige schrijfsel ging het een tijdlang best goed met mij. Ik heb ervan genoten. Tot een week of drie vier geleden, toen kwam er de klad weer in. Niks aan te doen maar wel balen. Ik heb reeds menig uitje gecanceld of vooruit geschoven hopende op betere tijden.

Al een hele poos ben ik best tevreden dat het gaat zoals het gaat. Ik vind het fijn om alleen thuis te zijn. Niks moet, ik kan zelf kiezen wat ik ga doen of juist niet ga doen. Ik poets het huis, doe de boodschappen en kneuter of fröbel wat. Ook aan lekker en gezond koken zonder zakjes en pakjes beleef ik tegenwoordig veel plezier.
Toch zo af en toe ontwaakt er een duiveltje in mij, een heel jaloers duiveltje. Ik hoor fantastische verhalen van familie en vriendinnen die de meest verre bestemmingen bezoeken terwijl ik het leven leid van een hoogbejaarde. Ik zie foto’s van avontuurlijk oorden die ooit ook op mijn verlanglijstje prijkten terwijl ik het tegenwoordig moet doen met een wandeling op de hei. Ik doe enthousiast want ik luister graag naar hun verhalen maar diep in mijn hart wil ik dat ook. Ik ben jaloers.
Normaal gesproken zou ik nu, eind mei/begin juni ook op vakantie zijn geweest. Godzijdank ben ik gewoon thuis. Ik voel me niet goed en ben blij dat ik niet mijn koffer heb hoeven pakken en een vermoeiende reis heb hoeven ondergaan. Dat ik gewoon lekker in mijn stille huis op mijn eigen bank mag blijven hangen. Desondanks zou ik natuurlijk nog liever met een gezond lijf naar het einde van de wereld zijn gereisd.
De opmerking dat ik nooit meer op vakantie wil is er best wel ingeslagen. Zowel hier op dit blog als in real life. Vooral voor mijn gezonde medemens was het nogal shocking te horen dat op vakantie gaan voor mij behoorlijk uitputtend is. Dus een rondreis door Canada of de Lofoten kan ik echt van mijn toch al drastisch ingekorte bucketlist schrappen. Dat gaat gewoon nooit meer gebeuren.

dinsdag 3 mei 2016

Verhalen van oma: De hut


“Wakker worden,” roept een stem. Iemand trekt aan mijn arm. Ik open mijn ogen en zie in het donker de gestalte van Anneke. “Je moet uit bed en warme kleren aandoen”, zegt ze. Ik kijk haar vragend aan en zie dat ze kleine Toos op haar arm heeft. Toosje hangt slaperig tegen Anneke aan en wrijft door haar oogjes. Sinds mama weer een baby heeft is Toosje de baby van Anneke. Anneke is mijn grote zus maar eigenlijk is ze ook een klein moedertje. “Ik wil niet,” protesteer ik, mijn bed is heerlijk warm en buiten is het nog donker, maar Anneke is al weg. Ik klim uit bed, trek een warm vest aan en ga naar beneden. In de keuken is het druk, ik begrijp er niets van, het is toch nog nacht? Jan en Tiny, mijn grote broers zijn brood en bekers in een zak aan het stoppen. Moeder loopt met de baby op haar arm en het lijkt wel of ze huilt. Ik vind het niet fijn als mama huilt. “We gaan naar de hut, allemaal meelopen en stil zijn”, zegt papa streng. Één voor een verlaten we in stilte ons huis. Buiten is het koud en ik ril. Dan hoor ik vanuit de verte een brommend geluid. Het komt steeds dichterbij. Het is een akelig geluid, ik wil dat het stopt. Papa vloekt zachtjes maar ik kan hem toch horen. “Rotmoffen” zegt hij, ik weet niet wat dat zijn maar aan zijn toon begrijp ik wel dat het niet deugd. We lopen verder tot in de boomgaard. Overdag speel ik hier vaak met mijn vriendinnetjes tussen de appelbomen maar nu in het donker ziet het er eng uit. De takken lijken wel grote enge klauwen die me elk moment willen pakken. Daar is de hut, eigenlijk gewoon een heel groot gat in de grond dat papa zelf heeft gegraven. Hij is er dagen mee bezig geweest. Lange planken vormen het dak. Papa tilt een plank op en Jan laat zich als eerste in de kuil naar beneden zakken en helpt daarna de anderen naar beneden te klauteren. Er liggen matten op de vloer en stro in de hoeken, voor de rest is het kaal en kil. Iedereen zoekt een plekje tegen de wand maar ik sta nog wat te treuzelen. Het liefst wil ik bij mama zitten maar die heeft al Toos en de baby op schoot. Ik voel de tranen prikken maar probeer niet te gaan huilen. Anneke ziet het en wenkt me. Ik loop naar haar toe en kruip tegen haar aan. Ze blaast warme lucht over mijn gezicht en legt een deken over me heen. Terwijl ze zachtjes voor me zingt dommel ik weer in slaap.

donderdag 4 februari 2016

Een jaar later…

Het is nu ruim een jaar geleden dat ik besloot te stoppen met bloggen. Ik heb het meestal niet gemist maar zo af en toe heb ik toch de behoefte om mijn hoofd leeg te maken en alles op te schrijven. Vandaar dus deze update over het afgelopen blogloze jaar.

2015 was over het algemeen niet slecht, tenminste, tot ergens in oktober. Toen ging het weer mis. Omdat ik half november op vakantie zou gaan en ik dan graag in goede conditie wilde zijn besloot ik al mijn verplichtingen tot die tijd te cancelen. Maar het hielp niet. De eerste nacht in het hotel in Venetië heb ik me flink beroerd gevoeld en me hardop afgevraagd waarom ik mezelf dit aandeed. De volgende dag stapten we op een cruiseschip en zoals bij ons gebruikelijk verliep de vaarroute anders dan gepland. Wegens het slechte weer konden we de haven van Venetië niet uit, daardoor werd de eerste haven Dubrovnik gecanceld en hadden we een extra dag op zee. Terwijl het hele schip baalde omdat we Kroatië misliepen dacht ik alleen maar: 'mooi, dan heb ik een dag extra rust', hoe erg is dat...
Eenmaal thuis werden allebei mijn poezenbeesten ziek, flink ziek. De oudste poes bleek een alvleesklierontsteking te hebben en de jongste waarschijnlijk ook, maar haar hebben we niet meer geplaagd met onderzoeken. Pancreatitis wordt onder andere getriggerd door stress, en hoewel wij er niet aan twijfelen dat het personeel van de dierenvakantieboerderij heel goed voor onze lievelingetjes heeft gezorgd betekent 10 dagen van huis weg heel veel spanning voor onze siamezen. Na talloze bezoeken aan dierenarts, spuitjes, infusen, dwangvoedingen en een heuse maagsonde zijn ze er gelukkig beide weer bovenop maar man wat heeft het me veel tranen gekost. We brengen onze schatten nooit meer weg, naar welk pension dan ook.
Deze twee toestanden samen heeft ons doen besluiten dat we nooit meer op vakantie gaan. De zin is over. Desondanks ben ik er niet minder verdrietig om, weer iets dat niet meer kan.
Begin dit jaar heb ik een nogal depri blogje geschreven. De ellende spatte er vanaf en daarom heb ik het nooit online gezet. Ik voelde me al maanden kut en er was nog geen enkel teken van verbetering. Langzaam maar zeker begon ik er zelfs aan te twijfelen OF het nog wel ooit beter zou gaan. Dat zoals ik me voelde, grieperig, draaierig, misselijk en een wattig hoofd, dat dat misschien wel altijd zo zou blijven. Dit terwijl om mij heen familie en vrienden allerlei leuke dingen deden was mij niet eens mijn oude leventje gegund. Het leventje wat al zoveel beperkter was maar waar ik ondertussen vrede mee had.
Nu begin februari lijkt er godzijdank eindelijk weer een stijgende lijn in te zitten. Het is nog wankel en ik hou me koest, maar man wat ben ik blij dat ik eindelijk weer een beetje vooruit kan.
Ik las op verschillende blogs van lotgenoten dat zij ook een beroerde tijd doormaken. Tegen hen (en iedereen die het nodig heeft) wil ik zeggen: houd moed, komt goed!

zondag 1 november 2015

Zijn er nog particuliertjes?

In deze wijk kwamen we normaal gesproken nooit, er stonden dure huizen en er woonden alleen maar rijke mensen. Toen we de straat inreden kreeg ik het unheimisch gevoel dat ik altijd kreeg als we hier reden. We stopten bij de bungalow met de donkergekleurde bakstenen en stapten uit, mijn moeder, mijn broer, mijn zus en ik. Om de hoek, achter de witte deur was de wachtkamer en ik hoopte met heel mijn hart dat hij flink vol zou zitten. Hoe meer mensen er zaten, hoe langer het zou duren voordat ik aan de beurt zou zijn. In de kleine wachtkamer hingen posters van Spanje aan de muur. Wuivende palmen en blauwe luchten; als het de bedoeling was hiermee deze ruimte op te vrolijken dan was dat wat mij betreft mislukt. Van alleen al de geur die er hing werd ik naar. Mijn moeder ging zitten en ik mocht bij haar op schoot. Ik telde hoeveel mensen er binnen zaten om zo een inschatting te kunnen maken hoe lang ik nog veilig was.

Na een poosje stak de door mij zo gevreesde man zijn halfkale hoofd door de deur. De weinig haartjes die nog op zijn schedel groeiden zaten er met brylcreem strak opgeplakt. ”Zijn er nog particuliertjes?” vroeg hij met – in mijn ogen – geniepig lachje. Zijn donkere kraaloogjes tuurden de wachtkamer rond. Godzijdank waren wij gewoon ziekenfonds en mocht ik nog even bij mijn moeder blijven zitten. Veel sneller dan ik had gehoopt waren wij toch aan de beurt. De hele familie en nog wat anderen werden de behandelkamer binnengeroepen, allemaal tegelijk. In de grote vierkante ruimte zat de roodharige assistente achter haar donkerbruine bureau dat links tegen de muur stond. De behandelstoel stond in het midden. Zoals altijd droeg "de beul" – zoals mijn broer en zus hem noemden –  een rare witte hes met hooggesloten boord. Met zijn allen op een kluitje keken we toe hoe de een na de ander in de stoel plaats nam. Als allerlaatste was het mijn beurt en ging ik zitten, doodsbang, alsof mijn laatste uur was geslagen. In een poging mij op mijn gemak te stellen kietelde de tandarts me in mijn zij waarna ik vervolgens zo ver mogelijk van hem vandaan schoof. Zijn kietelen voelde meer als gemeen geprik. In een nieuwe poging aardig te zijn kneep hij in mijn wang wat ik nog pijnlijker vond. Ondertussen kon ik zijn naar koffie stinkende adem ruiken. Ik deed mijn mond open en bad vurig tot God dat hij me zou helpen dit te overleven. Dat mijn gebedje iedere avond voor het slapen gaan niet voor niks was geweest. Het liefst wilde ik heel hard gaan gillen maar iets in me besloot dat dat beter was van niet.

Het lot was me deze keer gunstig gezind, geen gaatjes. Eenmaal weer buiten zoog ik de frisse lucht in mijn longen, ik had het weer gehad. Nimmer meer was de opluchting groter dan dat ik als klein meisje een bezoek aan tandarts L. had overleefd.

donderdag 17 september 2015

De (on)zin van een re-integratiecursus

Na twee jaar ziek thuis zitten had het UWV opeens bedacht dat ik nog twee uur per dag kon werken. Lichte niet-stresserende werkzaamheden moesten het zijn. Geen idee in welke vorm maar ik moest dus op zoek naar ander werk. Mijn werkgever stuurde een werkadviseur op me af en van hem moest ik op cursus, iedere vrijdagochtend, drie uur lang. Contact maken met lotgenoten en zo, dat zou goed voor me zijn. Dat ik net een jaar lang cognitieve gedragstherapie met zeven lotgenoten had overleefd en dat ik eerlijk gezegd wel even klaar was met lotgenotentoestanden was geen excuus.

We begonnen die vrijdagochtenden altijd met de nieuwelingen. Zij moesten zich voorstellen en wij konden dan vragen stellen. Door buitenstaanders is me vaak gevraagd wat voor soort wannebee uitkeringstrekkers bij mij op cursus zaten. Veel mensen hadden het idee dat het daar wemelde van de luie onwelwillende toneelspelende maar niets mankerende tokkies. Ik kan je echter verzekeren dat bij mij op cursus alleen maar schrijnende gevallen zaten. Ik heb vaak met open mond naar hun verhalen zitten luisteren. Het was bij hen –net als bij mij trouwens- heel duidelijk dat werken nooit meer een optie was. Maar wel verplicht naar de re-integratie cursus dus. Na het voorstellen was het pauze. Meestal haalde ik alleen thee en ging weer terug naar het lokaal aangezien het in de kantine door de vele anderstalige (die een cursus Nederlands volgden) meer leek op een buitenlandse markt.
Na de pauze gaf de coach meestal een kort lesje over allerlei zaken die zo oninteressant waren dat ik me er nauwelijks nog iets van kan herinneren. Het laatste uur moesten we op de computer baantjes zoeken op de verschillende vacaturesites. Dat had ik -braaf als ik altijd was- thuis allang gedaan, dus deed ik stiekem niks, in afwachting tot ik weer naar huis mocht. Zelden heb ik zoiets zinloos gedaan als deze re-integratiecursus.

woensdag 29 juli 2015

Over huisartsen en zo

Mijn huisarts was best een geschikte peer de eerste pakweg 25 jaar dat ik als patiënt bij zijn praktijk stond ingeschreven. Ik was behoorlijk gezond en behalve met mijn kinderen kwam ik zelden in zijn spreekkamer. Dat veranderde op slag toen ik ziek werd. De eerste twee jaar van mijn carrière als patiënt deed hij wat ik van hem verwachtte: naar me luisteren en proberen te achterhalen wat ik mankeerde. Ergens daarna keerde het tij en adviseerde hij me alleen nog maar antidepressiva. Aangezien ik daar niet mee instemde (ik was niet het zonnetje in huis maar dat was het gevolg van mijn klachten en niet andersom) waren we uitgepraat. Ik voelde me alleen op de wereld want hoe moest ik verder in mijn zoektocht naar genezing als zelfs de huisarts me in de steek liet.

Misschien wel een utopische gedachte en ik snap heus dat die man het hartstikke druk had, maar ik had het best fijn gevonden als hij eens naar mij had geïnformeerd zo af en toe, helemaal uit zichzelf. Hoe het met me ging, of hij nog iets voor me kon betekenen, zoiets. Gewoon mij niet het gevoel geven dat het hem allemaal niet boeit want weet je, al was ik dan niet dodelijk ziek, het is best heel heavy als je ziek thuis komt te zitten en je na maanden of zelfs jaren nog geen uitzicht hebt op herstel. Blijkbaar kwam dat niet in zijn gestudeerde hoofd op.